Rondeel

Wilmink, Willem, 1936-2003

Hooglied 7:1-3

Uit ons allereerst verlangen
is een groot geluk geboren,
dat zich in geen metaforen,
in geen beelden meer laat vangen:
niet met woorden laat omhangen
die als goud of zilver gloren.
Uit ons allereerst verlangen
is een groot geluk geboren
en ik zal je ook in bange,
zware tijden toebehoren
en ook dan gaat niets verloren in je ogen, lippen, wangen,
van ons allereerst verlangen.


Overgenomen uit: Willem Wilmink, Een eigen Hooglied, Enschede: De Oare útjouwerij 1996.

Verandering

Wilmink, Willem, 1936-2003

Hooglied 1:4,17

Mijn hele stad is opgefleurd
door wat mij mocht gebeuren.
Elk saai gebouw is ingekleurd
met onverwachte kleuren:
in ramen en op daken
zie ik het zonlicht blaken.

Het hele park is aangeharkt
en staat weer vol met bloemen
en alle mensen op de markt
lijken jouw naam te noemen,
jouw liefde te begeren,
jouw schoonheid te vereren.

Mijn huis is in die korte tijd
in waarde zeer gestegen,
want het heeft de hoedanigheid
van een paleis gekregen.
Zo deftig wacht mijn woning
op jou, op jou, mijn koning.


Overgenomen uit: Willem Wilmink, Een eigen Hooglied, Enschede: De Oare útjouwerij 1996.

Jij en ik

Wilmink, Willem, 1936-2003

Later zul je bij me wonen.
Later zijn we met z\'n beiden.
Dat bedenk ik soms, wanneer je
giechelt met de and\'re meiden.

\'t Is voorlopig nog maar beter
om de zaak geheim te houden,
\'k zal je nog maar niet gaan zeggen
dat ik van je ben gaan houden.

Later ga ik reizen maken
heel alleen, naar verre landen,
en daar ga ik mensen redden,
redden met mijn eigen handen.

Iedereen zal in de kranten
van mijn grote daden lezen.
\'Waarom zou die mensenredder
zo ontzettend moedig wezen?\'

Niemand zal de waarheid weten,
jóu alleen zal ik \'t vertellen:
later, als ik zó beroemd ben
dat ik bij je aan durf bellen.