Groter

Hermans, Toon, 1916-2000

Ik voel dat liefde
groter is dan leven
en uitstijgt boven plaats en tijd.
Soms zie ik in
haar ogen even
'n glimlach van de eeuwigheid.


Overgenomen uit: Toon Hermans, Verzamelde Versjes,
Amsterdam: De Boekerij 1988.

Jij

Hermans, Toon, 1916-2000

Zwijgend hou 'k je in mijn armen,
drie, vier, vijf minuten lang,
jij kunt zo mijn hart verwarmen,
met jou ben ik voor niets meer bang.


Overgenomen uit: Toon Hermans, Verzamelde Versjes,
Amsterdam: De Boekerij 1988.

Ze dee...

Hermans, Toon, 1916-2000

Zij was een grote kracht
in al mijn wel en wee,
nooit heeft ze erover nagedacht,
ze dacht niet na - ze dee.


Overgenomen uit: Toon Hermans, Verzamelde Versjes, Amsterdam: De Boekerij 1988.

Plezier heeft de vorm

Herzberg, Judith, 1934

Plezier heeft de vorm
van jouw lichaam gekregen.

Ik vind je hoe langer
hoe langer hoe liever,
je bent al zo lang
als een dadelpalm
waar ik wel in wil klimmen.

Ik ben van mijn lief,
en als hij verlangt
verlangt hij vanzelf
naar mij.

Overgenomen uit: Arie Boomsma, Waarom ben je niet bij mij, Amsterdam: Prometheus 2013.

Jij

Jonge, Freek de, 1944

Omdat jij wist dat ik het was
En niet je laatste minnaar
De knapste van de klas
Omdat je blozend voor me stond
Naïef en van de kook
Omdat jij smoorverliefd was
Daarom was ik het ook

Omdat jij bij me blijven wou
Ondanks mijn bot gedrag
Die vrijgezellendrift
Gepikt hebt elke dag
Omdat je maling aan de mensen had
Aan geroddel en gestook
Omdat jij zo graag trouwen wou
Daarom wou ik het ook

Omdat jij door bleef vechten
Op het randje van de dood
Het wrede tedere leven
In je armen sloot
Omdat je onomwonden
Het huwelijksbed indook
Omdat jij zo graag kinderen wou
Daarom kreeg ik ze ook

Omdat jij leven kunt
Met mij zoals ik ben
Omdat jij altijd anders bent
Dan ik denk dat ik jou ken
Omdat jij jouw heilig vuur
Niet verstikken laat in rook
Omdat jij weet wat liefde is
Daarom weet ik het ook.

Onder de appelboom

Kopland, Rutger, 1934

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer worden licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.